Autisme is een stoornis in de informatieverwerking van de hersenen. Informatie die via de zintuigen binnenkomt (zicht, geur, geluid, etc.) wordt bij mensen met autisme anders verwerkt. Zij hebben moeite om de details die zij waarnemen te verwerken tot een samenhangend geheel. Hierdoor hebben mensen met autisme problemen met communicatie, sociale interactie en verbeelding.

Autisme is een levenslange, vaak onzichtbare, handicap die invloed heeft op alle levensgebieden in alle levensfasen. De handicap brengt specifieke sterke en zwakke kanten met zich mee. De meeste mensen met autisme hebben in meer of mindere mate hun leven lang deskundige begeleiding nodig. Met meer begrip van de omgeving en de juiste begeleiding kunnen veel mensen met autisme naar school of werken, relaties met anderen onderhouden en daardoor een zin- en betekenisvolle rol in de samenleving hebben.
Ruim één procent van de Nederlanders – ca. 190.000 mensen – heeft een vorm van autisme. De kans is dus groot dat iemand in uw directe omgeving autisme heeft: in uw familie, in uw vrienden- en kennissenkring, op school of op het werk.

Super boek: Mijn vriend Henry!:

Autistische stoornissen vallen onder de psychiatrische stoornissen en worden geclassificeerd volgens de criteria van de DSM-IV-TR, een systeem dat wereldwijd gebruikt wordt. Binnen deze criteria worden vijf subgroepen van autisme onderscheiden:

  • (Klassiek) Autisme
  • De stoornis van Asperger
  • PDD-nos
  • RETT syndroom
  • Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd

Baby’s/peuters/kleuters

Hoe herken je autisme bij baby’s, peuters en kleuters?

Autisme is een ‘pervasieve ontwikkelingsstoornis’ (in het Engels: een pervasive developmental disorder, afgekort PDD). Of een kind autistisch is, wordt vastgesteld door te kijken naar het gedrag. De officiële criteria voor het stellen van een diagnose zijn vastgelegd in de DSM-IV, het handboek waarmee alle psychiaters ter wereld werken.

Contactstoornis

Autisme ziet eruit als een contactstoornis. Het gaat om mensen die op een afwijkende manier omgaan met anderen.Maar waardoor komt dat dan? In het verleden ging men er vanuit dat het aan de opvoeding lag, of dat de moeder van een autistisch kind niet genoeg liefde konden geven. IJskastmoeders werden ze destijds genoemd.

Neurobiologische stoornis Inmiddels gaat men ervan uit dat het gaat om een neurobiologische stoornis. Je zou dan ook verwachten dat je bij autistische kinderen iets afwijkends in hun hersen-scans zou kunnen zien. Maar tot nu toe is het nog niet mogelijk om via die route tot een diagnose te komen.

Naar de oorzaken van autisme wordt nog gezocht. Sommigen zoeken het in de genen, anderen in de omstandigheid in de baarmoeder of kort na de geboorte. Beide lijken een rol te spelen.

Hoe eerder hoe beter. Tot nu toe werd pas een diagnose gesteld als het kind op de basisschool zit. Maar waarschijnlijk kan het in de toekomst veel eerder gebeuren. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de meeste ouders eigenlijk al ongerust waren toen het kind 18 maanden oud was.

Rond 18 maanden blijken autistische kinderen eerder een teruggang dan een vooruitgang in de ontwikkeling te laten zien, iets wat overigens ook op epilepsie of op het Rett Syndroom kan wijzen.

Hoe eerder een diagnose gesteld kan worden, hoe beter het is voor de ontwikkeling van het kind en de begeleiding van ouders. Het is dan ook belangrijk dat ouders die hun zorgen op het consultatiebureau uiten, serieus genomen worden.

Vroege signalen
De meeste ouders worden pas bezorgd na de eerste verjaardag van hun kind. Dan worden immers de verschillen met andere baby’s opvallender.

Als ouders aan de bel trekken wanneer hun kind al 2 jaar is, dan zou dat kindje altijd onderzocht moeten worden. Want meestal is er dan ook echt iets aan de hand.

Videobeelden
Toch kun je het al eerder zien, want uit de bestudering van videobeelden uit het eerste jaar blijkt dat er ook heel vroege signalen waren:

  • geen ‘sociale glimlach’ (die begint meestal bij 6 weken);
  • weinig sociale interactie
  • weinig interesse in andere mensen, terugtrekkend gedrag
  • weinig oogcontact
  • weinig variatie in gezichtsuitdrukkingen

Gebrekkige sociale ontwikkeling
Een gebrekkige sociale ontwikkeling uit zich onder andere in een gebrekkige taalontwikkeling. Dat er iets mis is, weet je vaak pas echt zeker na de eerste verjaardag, als je kind niet zo gaat praten als een ander kind. Ouders vermoeden vaak al wel iets: hun kindje reageerde altijd al slecht op het horen van de eigen naam en het lijkt alsof hij als baby ook niet echt begreep wat er gezegd werd.

Meestal worden de vroege zorgen van ouders weggewuifd met geruststellingen als “Hij is gewoon een later prater”, of: “Kinderen verschillen enorm in hun tempo van ontwikkeling”.

Toch blijkt uit recent onderzoek dat de volgende signalen terecht redenen tot zorg kunnen zijn:

  • weinig brabbelen (1e jaar);
  • niet of nauwelijks wijzen, en geen gebaren maken (1e jaar);
  • nog geen losse woordjes zeggen bij 1½ jaar (normaal beginnen dan de eerste tweewoord-zinnen);
  • nog geen twee-woordzinnen maken als het kind 2 jaar is.

Daarnaast hebben autistische baby’s meestal weinig zin om dit soort dingen te doen (die normale baby’s meestal wél graag doen):

  • mama nadoen;
  • in de handjes klappen;
  • samen vrolijk doen;
  • kijken naar andere kinderen.

Een ander signaal kan zijn: een zekere overgevoeligheid voor geluid of aanrakingen en een slechte reactie op veranderingen. Soms zie je dat een kind ook agressief gedrag ontwikkelt, zoals bijten en slaan. Bekend is ook het verschijnsel dat een autistisch kind steeds dezelfde handelingen herhaalt, zoals autootjes (of andere dingen) op een rij zetten, of alsmaar een lichtknopje aan en uit doen. We noemen dat ‘stereotiep gedrag’.

Boekentip:

geschreven door: Nathalie van Kordelaar

Syndroom van Asperger
Elk autistisch kind is weer anders. Bovendien zijn er vormen van autisme die niet zo vroeg te zien zijn, zoals het syndroom van Asperger. Daarbij gaat om het kinderen die meer dan gemiddeld intelligent zijn, problemen hebben in het contact met anderen, afwijkend en eenzijdig gedrag vertonen, en vaak een andere of verstoorde taalontwikkeling hebben.

Kinderen met Asperger zijn niet opvallend anders in hun babytijd, maar geven pas echt reden tot bezorgdheid tegen de tijd dat ze naar school gaan. Vaak zijn ze heel taalvaardig en intelligent, waardoor het doorgaans moeilijk is om te begrijpen wat er aan de hand is.

  • Ook voor Asperger zijn er signalen die ouders en leerkrachten aan het denken moeten zetten:
  • het kind spreekt niet of nauwelijks, of heeft een vreemde spraak (met name de spreektoon is vreemd);
  • het kind herhaalt klanken of doet ze na;
  • het kind verwijst naar zichzelf als ‘jij’, ‘zij’ (of ‘hij’). Dit is normaal gedrag tot een jaar of 3, maar daarna niet meer;
  • het kind heeft een opvallend woordgebruik (niet passend bij de leeftijd of de situatie);
  • het kind is niet in staat om echt een gesprek te voeren, spreekt niet vloeiend in alle situaties, of kan alleen over een zelf gekozen onderwerp goed praten;
  • het kind kan niet goed met andere kinderen samen spelen (let op: dit is normaal tot en met de peutertijd en vaak ook nog de kleutertijd. Pas daarna is het minder normaal);
  • het kind lijkt niet te begrijpen wat de normen in de klas zijn. (Hij of zij uit openlijk kritiek op de leraar, wil niet meedoen met groepsspelletjes, is niet gevoelig voor gedragscodes);
  • het kind is snel van slag door sociale of andere gebeurtenissen;
  • het kind heeft een onevenwichtige verhouding met volwassenen (te intens, of juist moeite om een relatie aan te gaan);
  • het kind vertoont heftige reacties op inbreuk van de persoonlijke ruimte, verzet zich heftig tegen aansporingen (zoals opschieten).

Leerproblemen en gedragsproblemen
Ongeveer 75% van de autistische kinderen krijgt leerproblemen. En als er leerproblemen zijn, is er ook een verhoogd risico op gedragsproblemen. Vooral de intelligentere kinderen lopen een risico: ze hebben vaker dan normaal ADHD (attention deficit hyperactivity disorder oftewel een aandachtstekort-stoornis met hyperactiviteit) of ze lijden aan depressie of een angststoornis.

Kinderen met een gemiddeld tot hoge intelligentie en een goede taalvaardigheid redden het in de maatschappij gemakkelijker dan andere kinderen met een autistische stoornis. Dat betekent in dat het onderwijs aan deze kinderen zich vooral op de communicatieve aspecten zou moeten richten.

Als het kind zich goed kan uitdrukken, dus als hij op een sociaal aanvaardbare manier kan communiceren in verschillende situaties (vragen stellen, behoeften en wensen uitdrukken), dan kan dat leiden tot een grotere zelfstandigheid en een hogere kwaliteit van leven.

Hoe eerder hoe beter
Van autisme kun je niet genezen, maar hoe eerder de diagnose gesteld kan worden, hoe beter het is. Zowel voor het kind als voor de ouders. Dan weet je immers waar je rekening mee moet houden. Daarvoor is het echter wel nodig dat artsen de vroege zorgen van ouders serieus nemen.

Bron: Diagnosis of autism. In: British Medical Journal (BMJ), 30 augustus 2003.

(Klassiek) Autisme

De autistische stoornis wordt ook klassiek autisme, kernautisme of Kannersyndroom genoemd. Leo Kanner was een Oostenrijkse kinderpsychiater die in Amerika werkte en als een van de eersten in 1943 autisme beschreef als een apart syndroom. Hij gaf het de naam early infantile autisme, ofwel vroeg kinderlijk autisme. Het duurde daarna nog zeker dertig jaar voordat autisme opgenomen werd in de officiële classificatiesystemen.

Volgens de DSM-IV-TR is er sprake van een autistische stoornis als iemand voldoet aan drie criteria:

  • kwalitatieve beperkingen in sociale interactie
  • kwalitatieve beperkingen in verbale en non-verbale communicatie
  • beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding.

Deze drie criteria zijn elk onderverdeeld in een aantal items. We spreken van een autistische stoornis als er sprake is van ten minste zes van deze items, waarvan minimaal twee bij het eerste criterium en minimaal één bij het tweede en één bij het derde criterium. Vóór het derde levensjaar moet er sprake zijn van een achterstand of van een abnormaal functioneren in deze criteria. De stoornis mag niet toe te schrijven zijn aan het Rett-syndroom of aan een desintegratiestoornis van de kinderleeftijd. Hierna leest u de items per criterium.

1. Kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties

De items bij criterium 1 zijn:

  • duidelijke stoornissen in het gebruik van verschillende vormen van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshouding en gebaren om de sociale interactie te bepalen
  • er niet in slagen met leeftijdgenoten tot relaties te komen die passen bij het ontwikkelingsniveau.
  • tekort in het spontaan proberen met anderen plezier, bezigheden of prestaties te delen (bijvoorbeeld het niet laten zien brengen of aanwijzen van voorwerpen die van betekenis zijn)
  • afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid

2. Kwalitatieve beperkingen in verbale en non-verbale communicatie

De items bij criterium2 zijn:

  • achterstand i n of volledige afwezigheid van de ontwikkeling van de gesproken taal (niet samengaand met een poging tot compensatie met alternatieve communicatiemiddelen, zoals gebaren of mimiek)
  • bij individuen met voldoende spraak duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden
  • stereotiep en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik
  • afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel (doen-als-of-spelletjes) of sociaal imiterend spel (nadoen-spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau

3. Beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding

De items bij criterium 3 zijn:

  • sterke preoccupatie met één of meer stereotiepe en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is in intensiteit of richting
  • duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen
  • stereotiepe en zich herhalende motorische maniërisme (bijvoorbeeld fladderen, draaien met hand of vingers of complexe bewegingen met het hele lichaam)
  • aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen